Naar content
 
ONDERNEMINGSRECHT | BURGERLIJK PROCESRECHT 29 juli 2020

McCourt/Tennor: Matiging of vermindering verschuldigde fee vanwege coronacrisis. Share the pain approach

Rechtbank Amsterdam 29 april 2020, NCC 20/014 (C/13/681900)

Geschreven door: m.nt. mr. M.H.C. Sinninghe Damsté en mr. M.J. Bosselaar

Op 14 en 29 april 2020 wees de NCC haar vierde en vijfde uitspraak in een procedure tussen McCourt Global Sports & Media LLC (McCourt) en Tennor Holding B.V. (Tennor).1

Deze procedure draaide om een aandelentransactie, die neerkwam op de verkoop en levering aan Tennor (koper) van het aandelenbelang van 50% van McCourt (verkoper) ter waarde van EUR 169 miljoen in een show-jumping business (paardensport). Over deze transactie voerden partijen in verschillende fasen overleg.2 Zo sloten en ondertekenden partijen een intentieverklaring (LOI), waarin zij verklaarden voornemens te zijn de aandelentransactie aan te gaan met daarbij het voorbehoud dat beide partijen van de transactie konden afzien. Indien een partij zou afzien van de transactie (voor een bepaalde datum), zou deze partij op grond van de LOI een fee aan de wederpartij zijn verschuldigd van EUR 30 miljoen. De LOI werd beheerst door Nederlands recht, maar vermeldde niets over geschillenbeslechting. In de LOI werd verwezen naar de Transaction Agreement,3 waarin partijen de voorgenomen transactie hadden vastgelegd. De Transaction Agreement bevatte een arbitraal beding en bepaalde tegelijkertijd dat partijen voor voorlopige voorzieningen kiezen voor een procedure in de Engelse taal bij de NCC Court in Summary Proceedings (de NCC-voorzieningenrechter).4 Hoewel tussen partijen overeenstemming leek te zijn bereikt over de transactie (de Transaction Agreement was in agreed form),5 ondertekende de voorgenomen koper de Transaction Agreement uiteindelijk niet.6 Uit de onderhavige uitspraken blijkt niet precies waarom niet, maar de (ongunstige) vooruitzichten in verband met de uitbraak van het coronavirus en de negatieve impact daarvan op de business van de target lijken daarvoor een mogelijke verklaring.

De voorgenomen verkoper startte een kort geding bij de NCC-voorzieningenrechter, waarin zij primair vorderde de voorgenomen koper te veroordelen tot nakoming door uitvoering van de transactie (i.e. betaling van de koopsom van EUR 169 miljoen) en subsidiair tot betaling van de fee van EUR 30 miljoen vanwege het niet (tijdig) uitvoeren van de transactie. Koper wierp een bevoegdheidsincident op. Zij betwistte dat partijen in dit geval een geldig NCC-beding waren overeengekomen. Koper wenste te procederen bij de ‘gewone’ voorzieningenrechter te Amsterdam in de Nederlandse taal, tegen betaling van het reguliere griffierecht .

Bijzonder was dat beide zittingen in dit kort geding werden gehouden gedurende de lockdown ingesteld ten tijde van de coronauitbraak en om die reden plaatsvonden via videoconference.8 Niet alleen betrokken buitenlandse advocaten, maar ook andere geïnteresseerden sloten aan.9 Overigens verlopen alle proceshandelingen en communicatie tussen de procespartijen bij de NCC al digitaal, via eNCC, het digitale portaal van de NCC.10 Voor de wijze van communicatie tussen procespartijen is voor de NCC aansluiting gezocht bij de werkwijze van bestaande buitenlandse commercial courts en internationale arbitrage-instituten.11 Zo was reeds voorzien in de mogelijkheid om zittingen bij de NCC digitaal te laten plaatsvinden.12

Lees hier het volledige artikel.

Dit artikel verschijnt in aflevering 12 van het tijdschrift Ondernemingsrecht.

1 De kamer van de rechtbank Amsterdam wordt aangeduid als de NCC District Court (afgekort: NCC), waarbij de NCC-voorzieningenrechter (in kort geding en anderszins) wordt aangeduid als de NCC Court in Summary Proceedings (afgekort: CSP). De kamer van het gerechtshof Amsterdam wordt aangeduid als de NCC Court of Appeal (afgekort: NCCA). Gemakshalve zullen wij in deze bijdrage alle kamers van de Netherlands Commercial Court gezamenlijk aanduiden als de NCC.
2 Rb. Amsterdam (NCC) 14 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2277, r.o. 3.1.
3 Rb. Amsterdam (NCC) 14 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2277, r.o. 3.2 onder f.
4 Rb. Amsterdam (NCC) 14 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2277, r.o. 3.3. De Transaction Agreement bepaalt in dit verband, voor zover hier relevant, het volgende: “(…) Notwithstanding the foregoing, (i) any Party may apply to the Amsterdam District Court following proceedings in English before the Chamber for International Commercial Matters in the Court in Summary Proceedings ("CSP") for preliminary injunctive relief or similar interim measures necessary to preserve its rights pending resolution of any dispute arising out of or in connection with this Transaction Agreement through arbitration as contemplated above (with any appeals against CSP judgments being submitted to the Amsterdam Court of Appeal's Chamber for International Commercial Matters ("Netherlands Commercial Court of Appeal" or "NCCA")) (…).”
5 Zo lijkt althans te volgen uit de gedragingen en verklaringen van de advocaten en adviseurs van partijen. Zie Rb. Amsterdam (NCC) 14 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2277, r.o. 3.2 onder e en i en Rb. Amsterdam (NCC) 29 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2406, r.o. 3.1.
6 Rb. Amsterdam (NCC) 14 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2277, r.o. 3.4.
7 Rb. Amsterdam (NCC) 14 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2277, r.o. 4.1 en 4.2.
8 Rb. Amsterdam (NCC) 14 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2277, r.o. 2 en Rb. Amsterdam (NCC) 29 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2406, r.o. 2. Zie ook Bijlage I (Toelichting) NCC Rules, p. 43 onder verwijzing naar Kamerstukken II 2014/2015, 34 059, nr. 3 (MvT), p. 31.
9 Nieuwsbericht NCC 27 mei 2020, ‘The Netherlands Commercial Court and COVID-19: case management, videoconference hearings and eNCC’, onder ‘Videoconference hearings’.
10 Artikel 3.2.1 NCC Rules. Zie hierover Rb. Amsterdam (NCC) 8 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1637, Ondernemingsrecht 2019/103 m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté, V.R. Vroom en M.J. Bosselaar, onder 3.5. In de NCC Rules staat dat partijen procederen en communiceren via de eNCC, tenzij de NCC anders bepaalt. In de praktijk lijkt eNCC in beginsel op vrijwillige basis door partijen te worden gebruikt. Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam (NCC) 8 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1637, r.o. 6.4 en Rb. Amsterdam (NCC) 26 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2681, r.o. 4.3. In de onderhavige procedure werd op verzoek van de NCC voor alle proceshandelingen en communicatie (verplicht) gebruik gemaakt van eNCC.
11 Raad voor de Rechtspraak, Plan tot oprichting van de Netherlands commercial court, november 2015, p. 11.
12 Bijlage I (Toelichting) NCC Rules, p. 43 onder verwijzing naar Kamerstukken II 2014/2015, 34 059, nr. 3 (MvT), p. 31.
COLLECTIES

Wilt u toegang tot alle juridische vakinformatie?

Probeer de Collecties Advocatuur een maand vrijblijvend.