Naar content

VOF-arbeid

Prof. mr. S.S.M. Peters, Tijdschrift Recht & Arbeid, aflevering 12

Stelt u zich de volgende situatie voor. Zestig chauffeurs vervoeren en bezorgen pakketten voor een groot pakket(distributie)bedrijf (X). Deze chauffeurs beschikken zelf niet over de voor het vervoer noodzakelijke vervoersvergunning (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de pakketbezorgers van PostNL en de Nederlandse Uber-chauffeurs). De bestelwagens die zij gebruiken zijn (anders dan die van de PostNL-pakketbezorgers) niet van hen en zijn voorzien van het logo van X. Dat logo prijkt ook op hun kleding. De chauffeurs gebruiken een ID-pas en handscanner van X, en X bepaalt hoe laat de chauffeurs op welk depot moeten zijn en wat de bezorgroutes zijn. De chauffeurs kunnen zich slechts met toestemming van X laten vervangen. Het lijken de klassieke ingrediënten voor een arbeidsovereenkomst tussen X en de chauffeurs, maar anno 2018 worden deze chauffeurs gepresenteerd als vennoten in een VOF en ontvangen zij geen loon, maar een managementvergoeding voor hun diensten. 

U vraagt zich waarschijnlijk af hoe deze ‘VOF-arbeid’ is vormgegeven. Welnu de VOF heeft tot doel het verrichten van koeriersdiensten en drijft daartoe een transportonderneming. De diensten worden voor het overgrote deel (circa 90%) verricht in opdracht van X. Naast de zestig chauffeurs zijn er nog twee vennoten (de echtgenoten A en B) ingeschreven in het handelsregister van de KvK. De heer A heeft de dagelijkse leiding over de VOF en mevrouw B beschikt over de vakbekwaamheid beroepsgoederenvervoer op basis waarvan een vergunning aan de VOF is afgegeven. De twee nemen samen alle zaken van de VOF voor hun rekening. X betaalt aan de VOF voor elke route een totaalbedrag voor de bezorging van de pakketten, per dag gespecificeerd. De VOF betaalt elke chauffeur vervolgens een ‘maandelijkse managementvergoeding’ voor zijn/haar werkzaamheden, d.w.z. het saldo van de opbrengsten en kosten (zoals ‘autokosten’) van de door hem/haar gereden route (aan het eind van het jaar aangevuld met een deel van de overwinst indien de chauffeur dan nog voor de VOF werkt). De chauffeurs hebben verklaard dat zij alleen bij de VOF van de echtelieden zijn aangesloten omdat X niemand meer in loondienst wilde hebben en zij, teneinde de werkzaamheden ‘als zelfstandige’ te kunnen verrichten, een vergunning voor goederenvervoer nodig hadden. De chauffeurs die voordat de VOF is opgericht in dienstbetrekking waren bij X, rijden nog steeds dezelfde routes. 

De Rechtbank Den Haag zag in deze chauffeurs “zowel civielrechtelijk als fiscaalrechtelijk” echte vennoten (ECLI:NL:RBDHA:2017:11302). Hof Den Haag (belastingkamer) ziet – net als ik en, zo vermoed ik, u – iets heel anders, maar heeft zijn handen vol aan het kwalificeren van deze situatie (ECLI:NL:GHDHA:2018:752). Het oordeelt dat er geen sprake is van ondernemerschap, noch in VOF-verband, noch in de vorm van een eenmanszaak. Niet in VOF-verband, omdat volgens het hof feitelijk niet wordt voldaan aan de voor de samenwerking in een VOF vereiste zekere mate van gelijkwaardigheid (affectio societatis). Vennoten A en B zijn ‘echte’ vennoten, maar de gelijkwaardigheid in de samenwerking is voor wat betreft de chauffeurs ver te zoeken. Zij doen in feite niets anders dan de pakketten bezorgen en hebben verder nauwelijks iets met de VOF van doen. Het hof concludeert daarom dat sprake is van een schijnconstructie. Er is ook overigens geen sprake van ondernemerschap, alleen al omdat de chauffeurs simpelweg niet als zelfstandig pakketbezorger kunnen opereren aangezien zij niet beschikken over de daarvoor vereiste vervoersvergunning. Ook verder vertonen ze nauwelijks ondernemerstrekken, zo hebben ze geen van allen een eigen bestelbus, treden zij niet zelfstandig naar buiten op als ondernemer en hebben zij nagenoeg geen vrijheid qua route, werktijden en werkzaamheden, waardoor ook het werken voor andere opdrachtgevers praktisch onmogelijk is. Kortom: geen vennoten, geen ondernemers. 

Wel een driehoeksrelatie: A en B stellen de chauffeurs ter beschikking van X om krachtens een tussen X en de VOF gesloten vervoersovereenkomst arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van X. Deze driehoeksrelatie kwalificeert volgens het hof niet als uitzendovereenkomst. Vervoerswerkzaamheden zijn namelijk uitgesloten van de overeenkomst van opdracht (art. 7:400 BW), waardoor niet voldaan zou zijn aan het element ‘opdracht’ uit art. 7:690 BW. Een gewone arbeidsovereenkomst met de VOF dan? Een lastige conclusie nu het werkgeversgezag vrijwel geheel bij X ligt. Wil men de VOF als werkgever bestempelen, dan zal het aan X ‘overgelaten’ gezag aan de VOF moeten worden toegerekend. Het hof waagt zich niet aan deze beoordeling en kan dat doen omdat het van oordeel is dat in ieder geval sprake is van een fictieve dienstbetrekking: de chauffeurs verrichten persoonlijk arbeid ten behoeve van een derde (X) door tussenkomst van het lichaam tot hetwelk de arbeidsverhouding bestaat (de VOF) (zie art. 3 Rariteitenbesluit; art. 2a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965). De VOF is dus loonbelasting verschuldigd – en daarover ging de procedure. 
Er is natuurlijk nóg een kwalificatierichting denkbaar, een eventueel werkgeverschap van X, maar dat was door geen der partijen aangedragen. Het gaat mij hier niet om de finesses van de onderhavige kwalificatievraag (hoe interessant ook), maar om het grotere beeld dat uit deze zaak naar voren komt. Een verontrustend beeld. De zoveelste constructie – ‘VOF-arbeid’ – om arbeid buiten de arbeidsovereenkomst te houden. Het gemak waarmee de rechtbank de VOF-constructie slikt. De vraag wat het hof zou hebben beslist als wél zou zijn voldaan aan een aantal van de formaliteiten die bij een VOF-samenwerking horen. In casu stonden die formele verplichtingen wel op papier, maar werden ze niet nageleefd. Als dat wat slimmer was aangepakt door de echtgenoten, zou het hof de chauffeurs dan wel als vennoten hebben aangemerkt? 

De praktijk zal zulke constructies blijven verzinnen en rechters zullen zich in bochten moeten blijven wringen om tot, gelet op de realiteit, maatschappelijk wenselijke uitkomsten te komen. De deze zomer door de Minister SZW gepresenteerde maatregelen (Kamerbrief 2018-0000112981) om zelfstandigen van werknemers te scheiden, zullen daarin, vrees ik, geen verandering brengen. Zo kan deze VOF (en/of X) de verplichte ‘arbeidsovereenkomst bij laag tarief’ (tot € 18) simpelweg vermijden door net iets hoger te gaan zitten (als überhaupt al kan worden berekend wat het uurtarief van de chauffeurs is). De VOF-constructie staat niet op zichzelf, maar past in het platformarbeid plaatje: ondernemers zoals X – die tot voor kort gewoon werkgever waren – proberen hun bedrijfsvoering zo te organiseren dat zij werken met ondernemers/zelfstandigen in plaats van werknemers. Over deze platformarbeid lopen in Nederland verschillende juridische procedures. De FNV spande al eerder een zaak aan tegen Deliveroo (ECLI:NL:RBAMS:2018:5183) en heeft recentelijk zzp-platform Helpling voor de rechter gedaagd en beticht van het gebruik van een schijnconstructie (haar schoonmakers zouden geen zelfstandigen zijn, maar werknemers, zie FD 18-10-2018, p. 22). 

Voor Nederlandse platformwerkers is platformarbeid relatief vaak niet zo maar een ‘klusje’, maar de primaire bron van inkomsten (European Commission, Report ‘Platform Workers in Europe’, 2018) – net zoals de VOF-arbeid dat is voor de chauffeurs. De vraag die de minister zelf in zijn brief opwerpt, namelijk of de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in arbeidsrelaties “consequenties zou(den) moeten hebben voor de wijze waarop risico’s worden verdeeld en bescherming wordt georganiseerd”, moet daarom met een volmondig ja worden beantwoord. De problematiek wordt niet opgelost door aan een enkel tariefknopje te draaien. Het lijkt onvermijdelijk om de alles of (bijna) niets benadering ten opzichte van verschillend gelabelde arbeidsrelaties los te laten. In plaats van te redeneren vanuit de huidige rechtsnormen, zullen we vanuit de onderliggende waarden moeten zoeken naar een nieuwe vormgeving van het in elkaar grijpende sociaal- en fiscaalrechtelijke systeem: welke werkenden willen we waarom beschermen en welke beperkingen van individuele vrijheden ten behoeve van de collectieve vrijheid zijn daarom gerechtvaardigd? 

 

Collectie Arbeidsrecht

Collectie Arbeidsrecht  
Vanaf € 75 per maand 
(excl. btw)

 

Alles op het gebied van arbeidsrecht online onder de muisknop. Inclusief ArbeidsRecht, Tekst & Commentaar Arbeidsrecht en Tijdschrift Recht en Arbeid. 

Lees verder

Ervaar zelf hoe u met een Collectie snel tot de essentie van uw vraagstuk komt en neem een proefabonnement. Geheel vrijblijvend en zonder kosten. Het proefabonnement loopt na 4 weken automatisch af.


1 maand gratis
Terug naar de pagina Arbeidsrecht
Lees ook 'De prijs van het arbeidsrecht'